Jane Leusink

Jane Leusink is dichter, docent aan de Schrijversvakschool Groningen en recensent poëzie voor de literaire weblogs Tzum en Ooteoote.
Ze ontving in 2003 de C. Buddingh’-prijs voor haar debuut Mos en gladde paadjes; daarna volgden nog vier bundels: Erato (2005), Er is weinig aan de lente veranderd (2008), Tot alles goed strak staat (2011) en Een grazende streep in de lucht (2015). Een zesde bundel is in voorbereiding.

Jane Leusink zat in de redactie van Kwam iemand in de tuin vanmiddag, een hommage aan de dichter C.O. Jellema en in die van Wierde van Wierum, ter gelegenheid van de renovatie van een wierde.
Daarnaast schreef en gaf ze Koken op het Hogeland uit dat een prijs kreeg als een van de ‘Best Verzorgde Boeken’. Voor het culinair-literaire blad Bouillon!-Magazine leverde ze lange tijd artikelen.

Gedichten verschenen in literaire tijdschriften als: Liter, Poëziekrant, Revolver, Het Liegend Konijn. Daarnaast in diverse bloemlezingen onder andere: De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, Ilja Leonard Pfeijffer; De honderd beste gedichten, Stichting VSB Poëzieprijs; Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw, Gerrit Komrij; Dichtersgesprekken, Marjoleine de Vos.

Jane Leusink trad op bij poëziefestivals als: Dichter aan huis, Het Tuinfeest, Park & Poëzie en Dichters in de Prinsentuin.
Als jurylid nam ze deel aan poëziewedstrijden onder andere Doe maar dicht maar, het Belcampostipendium en het Hendrik de Vriesstipendium.

Jane Leusink heeft Nederlandse Taal- en Letterkunde en Literatuurwetenschap gestudeerd aan de UvA en kunstgeschiedenis aan de RUG. Ze is werkzaam geweest aan het Spinozalyceum te Amsterdam en de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit.

https://janeleusink.blogspot.com
https://www.facebook.com › JaneLeusink

Beestenboel noemde dierbeeldhouwer Harro Nikkels (1944-2013) de tentoonstelling die hij in het voorjaar van 2011 organiseerde in het Groningse wierdekerkje van Fransum, gelegen in het weidse land van het Westerkwartier. Voor de opening vroeg hij mij een gedicht te schrijven. Net als hij lid van het kunstenaarsgezelschap De Groninger Kroon voldeed ik graag aan zijn verzoek. De twee gedichten met als koptitel ‘Herders van Fransum’ zijn elkaars pendant. In ‘Beeldhouwer’ is de herder aan het woord, in ‘Kerkje’, hoe kan het anders, de kerk.

Herders van Fransum

Bij de tentoonstelling van Harro Nikkels animalier in brons. Fransum, 2011

Beeldhouwer:

Luister, zegt hij, vandaag de dag staat mijn hoofd los
in het opschietend gras en vliegen de scholeksters taalloos.

Maar mijn bronzen beesten scheppen
gewoon een luchtje langs opgedroogde klei-

en betonwegen en route naar deze godvergeten wierde
waarop het kerkje nochtans verdwaalde schapen hoedt.

Hij zegt, niet altijd wijst de weg zich vanzelf
je kunt ook kwijtraken want alles is van godlos

maar ik kan er niet mee zitten, dit is precies
de plek die ik nog miste, je kunt hier tussen de zerken
goed bidden en kijk daar komt mijn kudde al.

Kerkje:

Vogels, vissen en alle dieren van de aarde stromen nu
op naar deze wierde maar het is de slapende vondst

uit mijn bodem die van deze stenen woorden
de vleugels wordt, dáár een grazende streep in de lucht.

Ook op mijn leeftijd laat ik het er niet bij zitten
zelfs een eenbeukig lichaam wil gekend zijn, zijn stoel

bezet zien, de leeuwerik is in de groene morgen
de ruiter op mijn dak wijst ’s nachts met zijn lantaarn

de route, een razende herder is precies wat ik nog miste
want zonder kudde is een kerk van God los. Há, hier zijn ze
de fier gesokkelden met hun opgestoken gezichten.

Jane Leusink
In: Een grazende streep in de lucht, Groningen 2015

Ook de dichter C.O. Jellema (1936-2003) was lid van de Groninger Kroon.
Hij schreef een beroemd geworden gedicht over het kerkje van Fransum.
Ik neem het hier graag op.

Kerkje van Fransum

Bestaat nog god, kleine sarcofaag
van het geloof, even leeg
als de dorische tempels van Paestum:
hun zuilen een schuilplaats voor andere vogels
dan goden – als ik naar hem vraag?

Kleine mummie van steen
zonder hart, tabernakel
zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je
met jouw lichaam ons landschap
als bodem voor hemel? ik vraag maar.

Stille klankkast voor buiten, voor grutto’s
in juni, het loeiende melkvee bij ‘t hek –
zo gesloten, een avond, ik zit in het gras
tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:
dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.

C.O. Jellema
In: Spolia, Amsterdam 1996

Sluit Menu